Een lang weekend wegwezen. Een reisverslag op mijn blog, want zo hoort het schijnbaar. Het werd een trip naar Ierland, want daar was ik – mea culpa – nog nooit geweest. Daar waar de meesten voor de obligate citytrip naar Dublin kiezen, gingen we richting westkust. Shannon was de airport of destination, en we vlogen met de “NV lucht- en veetransport voor domme droezen en marginalen” vanaf Charleroi. Zelden zo een mooie nieuwe luchthaven gezien met zulk een onvriendelijk en ongeïnteresseerd personeel, maar dat is een ander verhaal. Had ik het geweten was ik op een andere manier ter bestemming geraakt, maar we gingen dus naar de Ierse westkust. Een gebied vol natuurpracht en vele historische en archeologische sites. Zo heb je ondermeer de spectaculaire “Cliffs of Moher”, deden we een toffe (en doorregende) hike over “The Burren” en zijn er uiteraard de typische dorpjes die uitkijken over de Atlantische Oceaan. Typische “tourist traps” natuurlijk. En doordat zowat iedere Ier uitgeweken familie heeft in de Verenigde Staten worden hier hele busladingen Amerikanen gedropt. Niets speciaals dus, behalve dan de mooie natuur en vergezichten. De typische Ierse pub vind je ook terug in menige Vlaamse stad met enkel de locatie en het rookverbod als grootste verschillen. Voor de Ierse Babes hoef je het ook niet doen. De trofee van “lelijkste donder van de klas” is in vele Ierse families verworden tot familiebezit. Voetbaltruitjes en trainingsbroeken. Reeds vroeg in de morgen zijn ze op stap met het obligate blik bier in de handen. ’s Avonds drinken ze… nog steeds. Hier is er weinig sprake van de “Celtic Tiger”. Afin, allemaal erg aardig maar bij voorkeur geen opgewarmde toeristische flauwekul voor de man van Zoniën. Daarentegen had ik vroeger wel eens iets gelezen over de Aran Islands. Woeste, godvergeten rotsblokken in de Oceaan waar ik – tot mijn spijt – wel nooit ging komen. Ook dit keer ging het afhangen van de “tijd die we overhadden en de prijs van de ferry”. Daar we het eigenlijk wel gehad hadden met het stukje westkust was de beslissing snel genomen. Die avond zaten we op de ferry richting Inis Méain (Inishmaan in uitspreekbaar Engels). Je hebt zo drie eilanden. Het grootste is Inishmore; een eiland met tal van archeologische sites en tevens goed uitgebouwde toeristische faciliteiten. Bootladingen Amerikanen dus. Inisheer is het kleinste eiland, en bezit meer pubs dan inwoners. Het plaatselijke Ibiza voor de Ierse jeugd van het vasteland. Bespaar ons die zotternijen… Maar over Inishmaan had de “Lonely Planet Guide” het volgende te zeggen: “…Islanders are mildly indifferent about tourist Euros”, en dat het een dunbevolkt (nog geen 200 zielen!) eilandje was, het meest authentiek gebleven, en slechts weinig toerisme kende. De keuze was aldus snel gemaakt!
Laat ik het eens even hebben over dit specifieke eilandje zelve. Piepklein, woeste maar wondermooie natuur en beukende golven. Een eeuwenoude refuge van monniken en schrijvers die de eenzaamheid opzochten. Een landschap van ontelbare kalkstenen muurtjes die de landbouwperceeltjes begrenzen. Kalksteen bij de vleet, gedurende tienduizenden jaren aangevoerd door de Oceaan. Buiten wat amechtig gras en lieflijke lentebloempjes is er geen vegetatie te bespeuren. Tenzij je de kromme door wind geslagen knoesten en schrale struiken meetelt. Dit eiland maakt deel uit van de Gaeltacht, de regio waar het Gaellic of Iers de hoofdtaal is.
Eerst dacht ik dat de plaatselijke bevolking – wederom – een stuk in de kraag had, maar deze taal klinkt hetzelfde of ze nu nuchter of dronken gesproken wordt. Een aardig volkje, die 200-tal Inishmaaners. Officiëel leven ze van landvangst en visbouw, maar in realiteit is het hele dagen hier en daar “foefelen”, en brengen ze vooral veel tijd door in de enige pub van het eiland, waar ze er hun subsidies en werklozensteun doordraaien. Leuke folklore, dat wel, en bij mijn eerste bezoek aan de pub – om 21u ’s avonds – viel er reeds een stevig doorzopen inboorling letterlijk van zijn kruk, om het daarna ongegeneerd op een verder zuipen te zetten. Om nog maar te zwijgen van de “traditionele” gezangen van deze ruwe doch vriendelijke lieden. Waarvan ik denk dat de helft op een of andere manier uit inteelt voortkomt. Dit laatste geheel terzijde trouwens. Maar het was een onvergetelijke ervaring! Sublieme natuur, frisse en zuivere ocaanlucht die aan de longen blijft plakken en vooral ongelofelijke rust voor deze gestresseerde blogger. De spectaculaire cliffwalk smaakte naar meer, de “bed and breakfast” van Mrs. Faherty viel enorm goed mee, haar ontbijten bezorgden mijn cholesterolniveau een ongekende piek en ik kan alleen maar zeggen dat ik uitermate gecharmeerd ben door dit eilandje. Zeker in dit seizoen waar we zowat de enige niet-Ieren waren op het eiland. Een aanrader! Kijk zelf maar eens, op mijn Flickr-account. Maar betreffende dit “reisje-tussendoor”: ik hou geweldig van dit soort trips!






Ahzo, MVZ zit nu ook op Flickr! Maar, “Republic of Flanders”? Niet goed voor het internationale netwerk hoor!
Los daarvan, mooie foto’s en een puik reisverslag. Gestresseerde bloggers leveren kwaliteit, dat is geweten.
Tja, wat het internationale netwerk denkt kan me weinig deren. De meesten weten toch niet waar het over gaat
Bedankt voor het compliment alleszins!
Leuk en herkenbaar verhaal!
In 2003 ook een reisje door Ierland gemaakt, maar wegens een andere planning niet tot op de Aran Islands geraakt (en al dik spijt van). Aan de Cliffs of Moher zijn we toen gaan lopen, ‘t stikte er van de Duitsers en ‘Ollanders (als het geluid van zeemeeuwen overstemt wordt door voortdurend “Nou joh, mot je dit eens zien”, is de leut eraf voor mij). The Burren was des te indrukwekkender, goed weer bij ons en geen kat gezien.
Er loopt toevallig net een fotoreeks op m’n blog van deze reis.
@s.goovy: dan zal ik snel eens gaan kijken! En die Aran Islands; zeker eens doen!